Dyslexie: indicatie en contra-indicatie

Prof. dr. Peter de Jong (UvA)

Bron: 11 april 2017, Lexima

Peter de Jong dyslexie indicatieStichting Dyslexie Nederland heeft in 2016 een herziene versie van de brochure Diagnostiek en Behandeling uitgebracht. In deze brochure zijn de procedures en richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van dyslexie geactualiseerd, waarbij ook rekening is gehouden met de 5e editie van de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (DSM-5), waarin een omschrijving wordt gegeven van specifieke leerstoornissen, waaronder problemen met lezen en spellen. De huidige definitie van de SDN sluit nauw aan bij de omschrijving van een specifieke leerstoornis in de DSM-5 en luidt als volgt:

Dyslexie is een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door een hardnekkig probleem in het aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen op woordniveau, dat niet het gevolg is van omgevingsfactoren en/of een lichamelijke, neurologische of algemene verstandelijke beperking.

Daar zijn nu exclusiefactoren (uitsluitingsgronden) aan toegevoegd. Hardnekkig betekent dat het probleem met lezen en/of spellen gedurende minimaal 6 maanden aanwezig moet zijn ondanks interventies gericht op het remediĆ«ren ervan. De achterstand is dus persistent en resistent voor instructie, kortom hardnekkig. De interventies moeten minimaal betrekking hebben op zorgniveau 3, dat wil zeggen dat ze hebben plaatsgevonden op school, maar buiten de context van reguliere (zorgniveau 1) of verlengde instructie (zorgniveau 2) in de klas. Exclusiefactoren, factoren die uitgesloten moeten worden als verklaring van hardnekkige problemen in lezen en/of spellen, zijn onder meer: algemene verstandelijke beperkingen, doof- of slechthorendheid, blind- of slechtziendheid, neurologische stoornissen, onvoldoende beheersing van de instructietaal en algemene omgevingsfactoren. Maar ook inadequaat onderwijs moet dus worden uitgesloten. Peter de Jong wijst erop dat 21-31% van de leerlingen geen onderliggend tekort heeft in fonologie, benoemsnelheid of taal. De diagnose is geen 'alles of niets' proces, ook als er geen dyslexie oorzaken gevonden worden, kan er sprake zijn van ernstige problemen en moet adequate hulp geboden worden. Anderzijds lijkt de technische leesvaardigheid  niet altijd een stabiel gegeven over de tijd te zijn. Dat verklaart wellicht voor een deel het hogere percentage diagnoses in het voortgezet onderwijs t.o.v. het basisonderwijs. Anderzijds zou dit ervoor kunnen pleiten de definitieve diagnose pas eind basisschool te stellen.

Maar Peter de Jong stelt nadrukkelijk dat het geven van een dyslexieverklaring totaal los staat van de vraag of er hulp geboden moet worden. Hulp moet altijd, zo stelt hij, liefst zo vroeg mogelijk, zoals preventie met Bouw! Naar aanleiding van de geruchtmakende uitzending van Rambam over vermeende fraude met dyslexieverklaringen heeft men aan de UvA onderzoek gedaan onder studenten om te zien of het lukt om dyslexie te veinzen. Het blijkt dat deze studenten snel door de maand vallen omdat hun testscores erg afwijken van echte dyslectici. Elke diagnost moet argwaan krijgen bij dit soort overdreven testuitslagen. De Jong stelt dan ook dat het onbewezen is dat door veinzen teveel diagnoses dyslexie worden gesteld.   

NDC_9MAR16-999